Dagelijks worden we op de TV geconfronteerd met de gevolgen van oorlog en natuur-rampen in de hele wereld. Dankzij bijgehouden dagboeken kunnen we nu nog kennisnemen van soortgelijke historische gebeurtenissen in onze omgeving. Zo is onze omgeving is heel lang geteisterd geweest door allerlei rampen (o.a. watersnood, branden, besmettelijke ziektes van zowel mens en dier) en de gevolgen van oorlogshandelingen, met name inkwartiering en plunderingen. Pastoor Beerenbroek uit Drunen heeft over jaren 1793 tot en met 1799 uitvoerig de ellende in die jaren in Drunen en omgeving beschreven. Maar ook doet hij uitvoerig verslag van de oorlogshandelingen in die periode. Een plaatselijke geschiedenis die we niet in onze geschiedenisboeken terug vinden, en daarom belangrijk zijn om de geschiedenis van onze streek beter te leren kennen.

Door Bert Meijs

Pastoor Bonifacius Beerenbroek was pastoor van Drunen van 1791 tot zijn overlijden op 2 november 1811. De pastoor is ongeveer rond 1745 in Waalwijk geboren en hij is overleden op 2 november 1811 te Drunen. Hieronder het belangrijkste uit de inhoud van zijn dagboek.

Het dagboek

Heusden stond zo diep onder water, dat het water zich uitstrekte tot hier op de Braken. De Scheet, de Kapel, de Wolfshoek en Elshout stonden geheel onder water. In het begin maakten zij dijken rondom de huizen met de grond uit de straatweg en omdat men daarom geen schuiten kon gebruiken, was het zeer gevaarlijk met de kar door de onder water staande gaten te rijden. De pastorie van Elshout had deze keer door haar hoge ligging geen water in huis. Onze straat aan de Wiel liep onder en om naar de linie te gaan moest men bij Haak links afdraaien naar de molen. Waalwijk en Baardwijk hadden ten noorden het water, dat stond van Heusden tot aan Geertruidenberg, zodat het achterland en Doeveren niet te bereiken schenen, terwijl de Zeedijk naar Doeveren links en rechts overstroomd was en bij de Schans zo smal afgestoken dat er nauwelijks twee mannen samen die dijk konden overgaan.

Giersbergen.

Giersbergen.

Fransen

Ondertussen trokken enkele Fransen van Capelle het Dijkje op naar het Sas, genaamd Sas-Dijk aan de Oude Maas. (In 1793 verklaarde het revolutionaire Frankrijk de Republiek der Verenigde Nederlanden de oorlog. De Fransen vielen Brabant samen met de gevluchte patriotten binnen. Uiteindelijk leden ze, mede omdat ze niet zo goed georganiseerd waren, een gevoelige nederlaag bij het Belgische Neerwinden, waardoor ze gedwongen werden om Brabant en de rest van de Republiek weer te verlaten, maar al snel waren ze weer terug). Dit fort was, volgens gewoonte, niet op tijd voorzien van kanonnen, daarom ging de commandant met zijn volk weg. Hierlangs trokken de Fransen naar het oosten om het fort Doeveren van achteren aan te vallen, maar de commandant liet zijn twaalf en vier en twintig ponders (kanonnen) in de steek en vertrok naar Heusden.

Herpt-Berne, Heesbeen, Haarsteeg en Onsenoord werden gefoerageerd door het garnizoen van Heusden. De Drunense boeren die hetzelfde bezoek vreesden vuurden 's avonds hun roeren (geweren) af om het garnizoen te misleiden. Dit gaf een alarm te Waalwijk, waarna de Fransen een man te paard afzonden om ons bijstand te beloven in geval van nood. Waalwijk en Baardwijk waren tot aan Geertruidenberg met Fransen bezet, die een kanon hadden op de Baardwijkse liniedijk. Zij vorderden Heusden op, maar werden afgewezen. Onvoorzien kwamen zij 's avonds met vijf kanonnen en vijftig trekpaarden op onze Zeedijk, voorgevende dat zij, langs Vlijmen en Hedikhuizen, Heusden gingen bombarderen. Ik begreep evenwel reeds dat de trekpaarden dienden om het Hollandse kanon van Doeveren ‘s nachts naar Geertruidenberg te vervoeren om met vijfhonderd man en vijf kanonnen hun aftocht tegen het garnizoen van Heusden te dekken, dat toen tot tweeduizend man was gestegen en wel in staat was om hen een salvo na te geven; doch zij werden zo kwaadgezind niet.

Bezoekers

Onder de zwervende uitgeweken Franse priesters heb ik hier gedurende vier weken de heren Quarré, kapelaan van Condé, Gallicet kanunnik van Avesnes gehuisvesd en negen weken mijnheer Chevad, kapelaan van Kamerijk (Cambrai), die allen bij de Franse inval op Gods genade naar Duitsland zijn gevlucht samen met veel anderen, allen zonder geld en op hulp van de Goddelijke Voorzienigheid vertrouwend. Driemaal heb ik een bezoek gehad van Franse huzaren en jagers te paard; de twee eerste keren zeer vriendelijk, de derde keer baldadig en dreigend, maar het bleef bij woorden en enkele flessen wijn, daags voor hun aftocht uit de Langstraat. Driemaal heb ik voor enkele dagen inkwartiering gehad van Beyroetse, Anspachse en Hollandse soldaten, die de vertrekkende Fransen naar Parijs wilden vergezellen, maar die bedrogen uitkwamen met hun voornemen, zoals het vervolg zal aantonen.