Door Bert Meijs
De zomer van 1794 maakte van Vlaanderen één groot bloedbad waarvan de geschiedenis geen weerga heeft, mits men van geen getal van veldslagen kan spreken, maar eerder van weken, die onbeslist bleven. Totdat eindelijk de veldslag de Fransen de overhand schonk te Fleures in het Naamse, waar zij hun overwinning toeschreven aan een lichtbal, waardoor zij heel de situatie van de Oostenrijkers ontdekten, hun legerkampen met de bajonetten overmeesterden en Charleroi stormenderhand innamen. De overige gevechten waren eigenlijk voor de geallieerden geen veldslagen, maar aftochten, waardoor hun legers gesplitst werden. De Oostenrijkers vluchtten naar Keulen, de Engelsen - Hollanders - Hannoverianen en Hessen naar de Bredase heide, terwijl de Pruissen met de Rijks armee en Oostenrijkers verenigd terug moesten over de Rijn en de Spanjaarden en de Fransen in zijn Rijk zag binnendringen. Sardinië was na Savoye reeds verloren te hebben, bevreesd voor zijn hoofdstad Turijn. In september wierpen de geallieerden een goed garnizoen in Breda en bezetten de linie; de Hollanders namen hun hoofdkwartier te Raamsdonk.
De Engelsen trokken van Oosterhout langs Tilburg, Loon en elders naar de Nistelrooijse Heide en hadden nabij Boxtel veel batterijen opgeworpen, zodat wij door Drunen gedurende twee dagen en een nacht zonder einde alleen de bagage zagen trekken. De Franse armee zat hen op de hielen. Een gevecht begon nabij Boxtel waaruit de Engelsen werden verdreven en de brug nabij Halder werd afgebroken. De Fransen herstelden de brug met de planken van een omvergeschoten huis, lieten dan de voorhoede met een achtponder oprukken en ze vielen aan op de gecombineerde legers die in slagorde stonden opgesteld, maar zich zo slecht verdedigden, dat er ca. 1.200 à 1.400 Hollanders en Engelsen krijgsgevangen werden gemaakt. Wij zagen duidelijk op onze dijk de rook, zelfs van het geweer, en in het oosten Deuteren en de Bossche Barrier, in het westen het Labbegat afbranden.
Kaart met o.a. daaop Labbegat.
Plunderingen
Ik voeg hierbij enige staaltjes van plundering, het gewone gevolg van de oorlog. De pastoor van Chaam kwam hier, die terdege door de Franse voorhoede was afgerost en afgeperst en daarna ook nog eens uitgeschud. De pastoor van Helvoirt werd ook mishandeld en wat de overige betreft, ik ken op heden 22 februari 1795 geen pastoor behalve die van Waalwijk, die niet min of meer beroofd is. Die er het genadigst afkwamen, verloren minstens al wat hun huis aan spijs of drank bezat, er was zelfs geen verborgen hoekje dat aan de Franse speurzin ontging. Wat ik hier aangaande de pastoors vertel, hadden in de meeste dorpen ook de beste ingezetenen te lijden. Ja op veel plaatsen kwam er niemand zonder kleerscheuren vanaf.
Te Tilburg op de Heuvel vielen enkele huzaren in hevige schermutselingen die daar plaats hadden evenals te Eindhoven. Te Heeze bij Leende zaten veertien keizerlijke dragonders aan het ontbijt met open deuren; vier Franse huzaren zien hun paarden aan de deur, snijden er drie van los en rennen voort: de dragonders springen toe maar te laat. Een rode huzaar ziet te Waalwijk een klein piquette (afdeling ruiters) Hollandse huzaren en rijdt er alleen op in. Men hakt zijn trom in stukken en een pistoolschot treft hem in het voorhoofd; hij springt van zijn paard, doet nog een paar stappen en valt dood neer. Kort daarop komt een tweede, die zijn makkers nog te hulp roept, maar de Hollanders verschijnen en verjagen ze. Kort daarop is er een klein gevecht te Besoijen en Waalwijk dat maar aan weinigen het leven kostte, maar lange tijd later vond men een verdronken uitgeweken Franse officier in de wiel te Baardwijk. Zij achtervolgden de Hollanders tot halfweg de Linie. Toen ik hen hier verwachtte, stuurde ik mijn dienstmeisje buitenshuis; maar later vernam ik dat het eerste bezoek gewoonlijk bestond uit een afpersing van een partij Kronen, het pistool op de borst en de sabel boven het hoofd; en dat zulke bezoeken niet in mindering kwamen bij de algemene plundering en brandschatting. Ik besloot hen te ontvluchten als ik tijd had.
Huzaren.
Op 13 september in de namiddag rond twee uur zou ik mijn zieken gaan bezoeken en tegenover het huis van de predikant (Santvoort) staande, hoorde ik roepen: 'De Fransen zijn daar!'. De heer secretaris (Kouwens) riep: 'Laat ze maar binnen!'; maar aanstonds werd er een partij geld afgeperst. Twee Fransen rijden naar mijn huis, maar toen iemand een schot loste en de klok luidde, reden ze van de kerkdam terug en verlieten ons dorp; hun bezoek was kort en hun getal slechts vijf à zes man, toch namen zij nog een paard, geld en dergelijke mee en bedroeg de schade die zij hadden aangericht circa ƒ 600,-. In de straat terugkomende vond ik twee jongens van de Fellenoord met bebloed lichaam vol steken en houwen van de slagen en mishandelingen die zij gehad hadden, maar hun wonden waren gelukkig niet dodelijk. Ik hoorde hoe het in de naburige plaatsen en in het zuiden ging en wij verwachtten dagelijks eenzelfde lot en dat liet dan ook niet lang op zich wachten.
Op 24 september om elf uur komen vijf huzaren bij mijn buren en vragen of ik thuis was. Mijn buurman roept: 'Pastoor weg!'. Ik loop met een dienstmeisje dat thuis was door de hof in huis achteruit en ga in de gracht zitten. Op dat ogenblik springen zij van hun paarden, slaan drie ruiten stuk om de ramen te openen, maar ze zien geen kans om voor in huis te komen. Daarom gaan ze achterom en gaan naar binnen. In een kwartier was er geen holletje zo groot als een vuist in de kelder, in alle vertrekken, op de zolder of in de kerk dat niet doorsnuffeld en onderste boven gekeerd was.